Dit seminarie is het vervolg op het seminarie over de economische crisis van 2-4 oktober 2009. Tijdens dat eerste seminarie werden de onmiddellijke gevolgen van de crisis van de subprimes in de VS geanalyseerd. De banken werden met overheidsgeld gered, we zagen het ineenstorten van de financiële markten en er volgde een diepe recessie met dramatische gevolgen, massale afdankingen en stijgende armoede. Er was consensus over het feit dat deze economische crisis structureel was en dat hij samen ging met een crisis inzake voedselvoorziening, energie en ecologie.
De reddingsplannen van de G8 landen gingen alleen over de economische crisis en pakten de andere dimensies van die structurele crisis niet aan. Bovendien konden de toen genomen economische maatregelen geen terugkeer naar een matige maar duurzame groei tot stand brengen. Omdat de neoliberale agenda en de macht die de financiële markten hadden verkregen, ongewijzigd bleven. In de ontwikkelde kapitalistische landen is het meest waarschijnlijke scenario op middellange termijn dat van een onzekere en lage groei, met een blijvende hogere werkloosheidsgraad.
Het was op dat moment al duidelijk dat de kapitalistische landen van Zuid-Amerika en Azië niet in dezelfde mate getroffen waren en dat ze vanaf de lente 2009 een heropleving zouden kennen. In deze landen kon een klassiek beleid van monetaire expansie en van massale overheidsinvesteringen de schok opvangen en kwam men in een nieuwe fase van sterke groei. China was de belangrijkste motor van de groei, niet alleen voor de landen van Azië maar ook voor Zuid-Amerika en Afrika. De voorspelling van vele analisten, dat de daling van de Chinese uitvoer naar Europa en naar Noord-Amerika de groei in China zou vertragen, werd niet bewaarheid. Integendeel, China klom verder op de economische ladder en we zouden in de komende jaren wel eens getuige kunnen zijn van een verplaatsing van het zwaartepunt van het wereldkapitalisme.
Nu beleven we een nieuwe fase van deze internationale crisis. Dank zij de reddingsplannen en een beleid van zeer lage rentevoeten gevoerd door de centrale banken, hebben de privébanken ongekende winsten opgestreken. Hetzelfde geldt voor de grote multinationals die met de zegen van neoliberale regeringen massaal mensen hebben afgedankt en herstructureringen hebben doorgevoerd. De verliezen van de privébanken werden omgevormd tot openbare schuld. Rechtse en sociaal-liberale regeringen werken allen mee om de loontrekkenden hiervoor te laten betalen. Het IMF roept in de rijke landen op om de gemiddelde schuldenlast te doen terugkeren naar 60% van het bnp tegen 2030. Hiervoor zou een fiscale inperking van 0,84% per jaar nodig zijn, of ongeveer 370 miljard $ per jaar.
Vele landen hebben al grote besparingen in uitgaven en openlijke of minder openlijke belastingsverhogingen doorgevoerd. Deze brutale besparingen en hogere belastingen zullen echter de openbare financiën niet kunnen saneren omdat ze de fragiele economische heropleving in de geavanceerde kapitalistische landen zullen breken. Banken en investeerders weten dit en ze speculeren op het feit dat de meest zwakke landen hun schulden niet kunnen betalen. Investeerders eisen een zeer hoge rente voor het overnemen van de openbare schuld van die landen. Dan organiseert men een nieuw “reddingsplan” waarbij het “geredde” land meer besparingen in sociale voorzieningen, meer belastingen voor loontrekkenden en meer loonsverlagingen moet aanvaarden.
In de jaren tachtig en negentig zaten de landen van Zuid-Amerika en Afrika in deze val gevangen. Een van de opvallende nieuwe feiten van de huidige crisis is dat Europa nu met hetzelfde schuldenprobleem is geconfronteerd. Griekenland, Ierland, Portugal en morgen mogelijks ook Spanje en andere landen worden in het net van speculatie gevangen. Aan rijke landen in de kerngebieden van het wereldkapitalisme worden structurele aanpassingplannen opgelegd. Dit zal sterk deflatoire gevolgen hebben voor de groei, ook in andere Europese landen zoals Frankrijke of Groot-Brittannië. Zij zijn nog niet het voorwerp van speculatie maar voeren nu al besparingsmaatregelen door in de hoop hieraan te ontsnappen. Het is inmiddels hoogst onzeker of landen van de EU zoals Frankrijk of Italië de schuldencrisis zullen kunnen ontlopen. De EU zal zeker een lange periode van trage groei kennen, lager dan voor deze crisis. Dit zal spanningen teweeg brengen op het niveau van de Europese instellingen en de kans dat de EU in twee groepen zal uiteenvallen is reëel met aan de ene kant de landen van het Zuiden van Europa en aan de Andre kant de meer noordelijke landen. Waar de grens tussen beide zal liggen is natuurlijk een groot vraagteken.
De toekomst van de EU is dermate onzeker geworden dat een van de belangrijkste doelstellingen van dit seminarie is de details van de crisis in Europa te analyseren en er politieke lessen uit te trekken voor wat betreft de werkende bevolking. Is het opbreken van Europa een goede of een slechte zaak en voor wie? Moeten we de afschaffing van de Euro vragen of het uittreden van sommige landen uit de Eurozone? Indien we het eens zijn over de weigering om de crisis te betalen, moeten we dan campagne voeren voor andere voorstellen? Voor een nieuw programma van sociale convergentie in de EU in dit geval met het harmoniseren naar boven toe in plaats van naar beneden toe?
De tweede doelstelling van het seminarie zal, net zoals op de eerste bijeenkomst, een analyse zijn van de economische en sociale situatie in andere werelddelen.
De toestand in de VS om te beginnen, die is heel anders dan in Europa. De Fed is in staat en is bereid tot het drukken van meer papieren geld ( zogenaamd “quantitative easing”) en tot het opkopen van de openbare schuld, wat de Europese Centrale Bank niet wil doen. Er is geen speculatieve aanval tegen de Staat, die rekent op een mogelijk onvermogen om de schuldenlast te betalen. De VS regering heeft dus meer speelruimte dan de EU. Dat betekent niet dat de VS om het even welk niveau van schuldenlast kunnen dragen. We hebben de gevolgen gezien van het verlagen van de kredietwaardigheid van de VS door Standard’ and Poor in april 2011. Dit had onmiddellijke gevolgen op de beurzen. Privé investeerders zijn niet bereid tegen lage rente om het even welke hoge schuldenberg te aanvaarden. Voor het kapitalistisch systeem in de VS blijven er grote economische problemen bestaan zoals de schulden van de gezinnen waardoor de consumptiemogelijkheden dalen, de hoge werkloosheidscijfers, de problemen van de woningmarkt, het negatieve effect van besparingen in openbare diensten en sociale voorzieningen. Daarbij komen nog de kosten van de oorlogen in Irak en in Afghanistan. Hoewel het economische beleid in de VS verschilt van dat in Europa, zien we er hetzelfde onvermogen tot herstel, na vier jaar crisis. De VS is nog steeds de grootste kapitalistische economie. Daarom zal het seminarie de toestand van deze economie bekijken en de kansen op een nieuwe groeiperiode inschatten.
De derde doelstelling van het seminarie is een update van de analyse van de economie in Zuid-Amerika, in Azië en indien mogelijk, in Afrika.
Hierbij staan twee centrale kwesties op de voorgrond:
-
De ontwikkelingslanden hebben, over het algemeen, minder geleden onder de economische crisis.
-
Dit is vooral te wijten aan de weerstand van China en aan het feit dat China in vele landen de belangrijkste handelspartner is geworden zowel in Azië, in Zuid-Amerika als in Afrika en zo de rol van de VS en van de EU heeft overgenomen.
Dit is een radicaal nieuwe toestand, het toont voor het eerst duidelijk wat een multipolaire wereld kan betekenen. We moeten die fenomenen en hun gevolgen zo nauwkeurig mogelijk analyseren. China is in 2010 de tweede grootste economie geworden in termen van bnp (in VS dollars) en het verschil met de VS wordt kleiner. In 1995 was de waarde van het bnp van de VS nog 10,5 keer groter dan dat van China maar in 2010 was het nog slechts 2,5 maal groter. Per inwoner is het verschil nog enorm. Maar we kunnen verwachten dat er in 2030 meer Chinezen zullen zijn met een inkomen gelijk aan het gemiddelde van de VS dan in de VS zelf. Voeg daarbij India en dan is het best mogelijk dat er tegen 2050 (of eerder) meer consumenten van duurzame goederen zullen leven in Azië dan in de VS en Europa samen. Dat betekent niet dat China reeds de VS kan vervangen als ultieme consument en als groeimotor van de wereldeconomie. Het betekent ook niet dat China en Azië kunnen losgekoppeld worden van de rest van de wereldeconomie. Maar het betekent wel dat een crisis in de meest geavanceerde kapitalistische landen niet automatisch leidt tot een even grote crisis in de periferie die herstel zou bemoeilijken. Daarbij komt dat de zogenaamde BRIC’s in staat zijn “nee” te zeggen tegen de VS en tegen Europa wanneer strategische belangen op het spel staan. Zo heeft China bijvoorbeeld een vaste wisselkoers tussen de Yuan en de VS dollar in stand gehouden en blijft India handelsbetrekkingen onderhouden met Iran ondanks het embargo. Internationale verhoudingen worden zo complexer en stellen nieuwe problemen voor de imperialistische landen.
We moeten de opgang van China dus erkennen maar het is ook belangrijk de zwakheden van de Chinese economie te zien. In 2088 heeft het stimuleringsprogramma van de Chinese regering de economie opgetrokken tot een groei van 9% in 2009 en van 10% in 2010. Dat heeft de economie in de meeste landen van Azië en in vele landen van Zuid-Amerika meegetrokken. Dat plan is nu beëindigd en we moeten nu kijken of China dezelfde groeipercentages kan in stand houden. Het stimuleringsplan heeft bovendien enkele traditionele problemen van de Chinese economie versterkt zoals inflatie, het gevaar van een zeepbel op de aandelenmarkten en de vastgoedsector. Het onevenwicht tussen investeringen en netto uitvoer aan de ene kant en consumptie door de gezinnen aan de andere kant is ook groter geworden. Indien China niet in staat blijkt zijn groei te heroriënteren ten gunste van de binnenlandse markt dank zij een sterker gezinsverbruik, zal de groei vertragen en dus ook de vraag in vele landen van Azië, Zuid-Amerika en Afrika. We zouden dan het begin zien van een derde fase van de crisis waarbij vele ontwikkelingslanden ook zouden getroffen worden.
We moeten een dergelijk scenario onderzoeken om de mogelijke toekomstige conjunctuur te beoordelen. Er is natuurlijk geen direct en eenvoudig verband tussen economie en politiek maar de economische toestand kan ons helpen de keuzes van regeringen uit te leggen en zo de mogelijkheden voor overwinningen van de werkers te vergroten.